Creatief Schrijven Opdracht 2
Peter C.

John Stalvern wachte.

Hij was een ruimte marinier, en van de beste ter wereld. Hij heeft getraind om zijn leven te geven in naam van zijn planeet, om zijn leven op de lijn te zetten, mocht dat nodig zijn. Hij wist een dozijn manieren om een man te vermoorden met zijn blote vuisten en twee keer zo veel met een wapen. Het concept van angst was al lang geleden weggevaagd door oefeningen die waren ontworpen om al zijn zachte menselijke kanten wegtebranden, zodat er slechts een moordmachine overbleef, zo scherp als een mes.

Het licht knipperde een keer, twee keer, en ging toen uit, de kamer in duisternis stortend.

Nou, bijna weggevaagd.

Hij fluisterde de vloeken, die met moeite zijn mond uitkwamen; te veel lawaai maken was als een neon bord op zijn rug tapen met de tekst Gratis Eten. Er waren demonen in de basis - godverdomme, motherfucking demonen - en van wat hij had meegekregen over de radio voordat hij het signaal verloorde, waren ze niet vriendelijk. De half opgegeten lijken die hij tegenkwam versterkte dat idee alleen maar.

Op een manier, dacht hij, had hij het al jaren verwacht. Niet dat er demonen recht uit Giger's nachtmerries door de basis zouden stormen, uiteraard, maar hij wist dat er iets gaande was zodra ze de teleporteur begonnen te installeren. Zijn onderbuik had hem gewaarschuwd uit te kijken voor dit project en het was geen toeval dat hij een verplaatsingsverzoek had ingediend, naar een baan op de planeetoppervlakte, nog geen dag nadat ze hadden verkondigd dat ze een werkend prototype hadden. Tuurlijk, een beveiligingsbaan op Aarde zou minder betalen dan dienst in het UAC, maar dode mensen hadden niks aan geld. Hij had geprobeerd zijn leidinggevenden te waarschuwen, maar Colonel Joson had zijn slechte gevoel weggelachen en nu was de lul waarschijnlijk dood.

Joson was een harde man, streng en eerlijk, maar veel te geworteld om het onderbuikgevoel van n persoon te geloven. Op een manier, dacht John, had Joson hem herrinnerd aan zijn vader. Ten minste, voordat de man een verdwaalde kogel in zijn gezicht kreeg toen John vijf was. Hij zou het met een soort wonder overleven, maar de kogel had zijn hersenen geraakt en Steven Stalvern was nooit meer de man die hij daarvoor was.

"Ik wil op de vliegtuigen zijn, pappa," zei hij een keer, kijkend naar de gigantsiche shuttles piepend door de lucht vliegend om daarna aan de zwaartekracht van Aarde te ontkomen. Hij was toen zes, nog te jong om te realizeren dat zijn vader niet de man was waarmee hij was opgegroeid in de eerste vijf jaar van zijn leven. Hij herrinnerde zich het gevoel van intense schok en angst die hij had gevoeld toen zijn vader omgedraaid was, zijn ogen bijna uitpuilend van zijn kassen. Vingers als klauwen hadden zich gesloten om zijn schouders.

"Nee!" had zijn vader geroepen, zijn stem kraakte met de eerste tekenen van gekte. "Je wordt vermoord door demonen!" John had hem volledig geloofd, te bang om iets anders te doen.

Toen hij ouder werdt en meer ervaringen opdeed met de manieren van de wereld, had hij zich gerealiseerd dat zijn vader gek was. Zijn adoratie was snel veranderd in angst, gevolgd door afkeer en uiteindelijk een soort verlegenheid. Hij vermoedde dat zijn gekke vader een deel was van de reden dat hij zich had ingeschreven bij de ruimte-marine op de tere leeftijd van slechts veertien; een deel van hem had gehoopt zijn vader achter te kunnen laten op Aarde samen met de pijnlijke herinneringen aan zijn jeugd. Nu was hij in zijn twintige jaren en voor redenen onbekend kwamen zijn vaders woorden ongenodigd terug.

Hij liet een scheve grijns lopen over zijn gezicht. Gek als zijn vader misschien was, die ene keer had hij gelijk gehad. Er waren demonen in de ruimte.

John werd abrupt teruggetrokken naar de realiteit toen zijn radio luid kraakte, het geluid was pijnlijk hard in de stilte. Al scheldend draaide hij het volume omlaag tot hij het kon horen. Hij had gedacht dat zijn radio kapot was, verdomme!

"-is Joson," zei de radio, de stem kwam vreemd vervormd door, amper herkenbaar. Het kraakte onvast en John kon slechts kleine stukjes verstaan. "Je moet-" Wederom een zware ruis. "Demons!"

"Ik kan je niet verstaan, Joson" zei John zo luid mogelijk, daarna fronsde hij terwijl hij de radio schudde. De lijn was dood. Hij haalde zijn schouders op en zette het uit zijn hoofd; de radio had te veel lawaai gemaakt en hij moest nu weg als hij niet binnenkort demonenvoedsel wilde worden. Hij had geen tijd om te filosoferen over het mysterie van een plotseling stoppende radio en Josons bevelen waren duidelijk genoeg geweest. Het was tijd om terug te slaan.

Hij zwaaide zijn plasma-geweer van zijn rug. Hij hield het voor zich en begon voorzichtig te lopen door de gangen, al wensend dat hij een nachtkijker had. Het was te donker om iets te zien, en de manier de gangen in de basis waren gebouwd betekende dat geluid op vreemde manieren werd gedragen.

Er gromde iets naast hem.

Bewustzijn vervaagde terwijl hij zich omdraaide, zijn geweer omhoog trok en vuurde in een soepele beweging, zichzelf aan de kant gooiend op het zelfde moment. Johns ogen groeide toen de uitbasting schitterend plasma de donkere gang oplichte als de zon en hij zich realiseerde dat hij net op een muur had geschoten. De cel raakte en blies de muur weg, de volgende kamer bloodleggend. John gaf bijna over door de stank van rot en stinkend verval.

Zijn geest viel in een rare kalmte terwijl hij registreerde hoevel demonen er waren die zich nu concentreerde op hem en hem alleen. Er waren minstens een dozijn aan normale voetsoldaat types, een paar spinachtig monsters, en iets groots sluipend in het dimme licht achter ze. Hij zocht in zijn ooghoek naar zijn geweer maar het was weggestoot door de kracht van de explosie, geland in een hoek anderhalve meter van hem vandaan.

Een van de oogloze demonen was de eerste die sprak, zijn stem als het kraken van versplinterd glas. "Hier om ons te vermoorden, jongen?" vroeg het, duidelijk vrolijk op een donkere manier. Hij had meer gezegd, maar het grote ding in de schaduwen bewoog vooruit en greep het hoofd van de demoon in een gigantsiche hand en kneep het fijn nadat het slechts een korte schreeuw had kunnen uiten.

De demoon was een vreemde combinatie van vlees en technologie, met draden en knipperende lichten ingebed in zijn gigantische lichaam. Zelfs zonder de, wat leek op een, raketwerper gent aan een arm was het een intimiderend spectakel. Als het sprak klonk het als een rostverschuiving. "Geen geklets. Dood." Hij richtte de raketwerper op John, schoot en terwijl hij op zei dook had de marinier slechts tijd voor een warrige herrinnering - bij het ontwijken van explosieven, beweeg weg van de muur - voordat de raket langs hem schreeuwde en in de muur sloeg.

Toen was het plasmageweer weer in hadbereik en hij schoot blind, een lijn van witheed plasma rakend over de borst van de gigantische demoons borst. Hij grauwde van de pijn en maakte een zwaai naar hem, slechts op een haar na missend en in plaats er van begroef hij zijn gigantsiche vuist in de muur achter hem. John hief zijn geweer voor nog een een schot toen een onheilsspellend gekreun van boven hem klonk.

Als verzwakt door de plasma en raket-explosies zakte de steunmuren volledig in toen de cyberdemoon zijn vuist lostrok, het dak naar beneden brengend in een lawine van puin en plakken beton. John was amper bewust van de demoons woedende brul terwijl het werd begraven onder het vallende dak.

Toen het stof neerkwam, vond John zichzelf wonderbaarlijk nog levend terug, alleen zijn onderlichaam was vastgezet door een stuk van de buur waar hij voor had gestaan. Het was hem veel beter vergaan dan de demonen die allemaal dood waren, blijkend uit het zwarte, zure bloed lekkend van onder het puin.

Hij worstelde even voordat hij opgaf; de rots was te zwaar om in een keer te bewegen en als hij te veel bewoog riskeerde hij dat het hele ding neer kwam op zijn hoofd. Hij nam een poosje om rond te kijken, turend in het dimme licht. Zijn plasma geweer was onherstelbaar kapot, de tere energiecellen die het van stroom had voorzien waren vernield. Zijn radio was ook voorgoed kapot; een groot stuk beton was er op gevallen.

Toen, onmogelijk, kwam Josons stem weer uit de radio. "Slapen op het werk, John?" vroeg hij, deze keer vrij van ruis. Nu dat hij het goed kon verstaan, dacht John in zichzelf, klonk het helemaal niet als Joson. Het klonk... ouder, op een of andere manier. Nee, ouder was het verkeerde woord. Antiek. De vrolijke, bekende toon van zijn stem was te vrolijk om allesbehalve nep te zijn en er was iets dat loerde diep van binnen, dat veel erger was dan Kolonel Earl Joson ooit geweest kon zijn.

"What are you?" vond hij zichzelf verward vragen, voor een moment negerend dat hij aan het praten was tegen een vernietigde radio. Op een of ander manier verbaaste het hem niets toen het antwoord gaf.

"Mijn naam is niet belangrijk, John." Zijn stem was vol van antieke boosaardigheid en vrolijkheid, gemengd met een diepe, rauwe honger die zijn geest raspte. "Wat belangrijk is is dat je geen demonen vermoord. Ze hebben je vader vermoord, weet je. Hij wist dat ze er waren en ze vermoorde hem daarover."

De schreeuw rukte zichzelf ongeboden van Johns keel. "Nee!" Het kwam niet in hem op hoe een lichaamsloze stem zou weten over zijn vader. Plotseling was hij weer zes jaar oud, starend naar zijn gekke vader, kijkend naar de volslagen angst in de oudere mans ogen terwijl hij hem desondanks lief had. Hij wilde zijn vader gerust stellen. "Ik ga alle demonen vermoorden!"

"Oh?" Op een bepaalde manier kreeg John het gevoel dat de eigenaar van de Stem zijn hoofd schudde; verdrietig, spottend. "Nee John. Je snapt het niet." Hij nam een pauze, hij liet hem in de stilte smoren totdat langzaam, liefdevol, hij de waarheid onthulde.

"Jij hebt je vader vermoord, John. Jij bent de demoon."

Het was waar, realiseerde John. Hij had zijn vader vermoord zonder hem met een vinger aan te raken, door weg te rennen naar de sterren. Hij had zijn vader alleen gelaten met... hun. Hij was weggegaan en ze waren van de schaduwen gekomen, op zijn vader vallend en hem opschrokkend. Hij voelde de pijn ervan scheuren in zijn borstkas, de doodsangst echter dan hij zich had voorgestelt. Toen keek hij naar beneden en hijgde hij; het was niet het schuldgevoel dat hem zo veel pijn bezorgde. Zijn vlees was echt aan het wegrotten, hele lappen vervelde weg om de botten eronder blood te leggen.

Toen het donker, samengegaan met laag gelach, kroop naar zijn zintuigen en eisde hem op.